Er was eens een jongen genaamd Jarie die in een klein dorpje woonde. Hij had een hond genaamd Bruno. Bruno was een grote, bruine hond met een zachte vacht en een vriendelijke blik.
Jarie en Bruno waren onafscheidelijk. Ze speelden elke dag samen in het bos. Ze renden door de bomen, speelden verstoppertje en zwemmen in de rivier.
Het witte konijn
Op een dag waren Jarie en Bruno aan het spelen in het bos toen Bruno een wit konijn zag. Het konijn was klein en schattig, en Bruno begon te blaffen en te kwispelen met zijn staart.
Jarie lachte. “Bruno,” zei hij, “het is maar een konijn.”
Maar Bruno luisterde niet. Hij ging er achteraan, en Jarie rende achter hem aan.
Waar is Bruno
Ze renden door het bos, en Jarie kon Bruno niet meer bijhouden. Hij riep Bruno’s naam, maar Bruno hoorde hem niet.
Jarie was bang. Hij wist niet waar Bruno was. Hij ging op zoek naar Bruno, maar hij kon hem niet vinden.
Jarie zocht en zocht, en hij begon zich zorgen te maken. Hij wilde Bruno terugvinden.
Eind goed, al goed
Toen, opeens, hoorde Jarie een blaf. Hij draaide zich om en zag Bruno aankomen. Bruno was blij om Jarie te zien, en hij kwispelde met zijn staart.
Jarie tilde Bruno op en gaf hem een knuffel. “Ik ben zo blij dat ik je heb gevonden,” zei hij.
Bruno kwispelde met zijn staart. Hij was ook blij dat hij Jarie had gevonden.
Jarie en Bruno gingen terug naar huis, en ze waren allebei blij dat ze elkaar weer hadden gevonden.
